Lui oog

Uw kind is doorverwezen naar het Bravis ziekenhuis omdat hij of zij last heeft van een lui oog. Een lui oog (amblyopie) is een aandoening aan het gezichtsvermogen dat ontstaat in de vroege kinderjaren. Een of beide ogen ontwikkelt zich onvoldoende waardoor het kind slecht ziet. Het gezichtsvermogen ontwikkelt zich al vanaf de eerste maanden na de geboorte. Tot ongeveer het tiende jaar kunnen het gezichtsvermogen en de aansturing vanuit de hersenen zich nog aanpassen. Voor een goede behandeling is het daarom belangrijk dat een lui oog zo vroeg mogelijk ontdekt wordt. In het gesprek met de behandelend arts heeft u al informatie ontvangen over een lui oog en de behandeling. In deze folder kunt u deze informatie nog eens nalezen.

Inleiding

Een lui oog (Amblyopie) is een aandoening aan het gezichtsvermogen dat ontstaat in de vroege

kinderjaren. Eén of beide ogen ontwikkelt zich onvoldoende waardoor het kind slecht ziet. Het gezichtsvermogen ontwikkelt zich al vanaf de eerste maanden na de geboorte. Tot ongeveer het tiende jaar kunnen het gezichtsvermogen en de aansturing vanuit de hersenen zich nog aanpassen. Voor een goede behandeling is het daarom belangrijk dat een lui oog zo vroeg mogelijk ontdekt wordt. Op het consultatiebureau krijgen kinderen rond het derde jaar een ogentest. Is het resultaat afwijkend? Dan krijgt het kind een doorverwijzing naar de orthoptist. Vaak is scheelkijken al een aanwijzing dat er sprake is van een lui oog. Een kind kan ook een lui oog hebben zonder dat het scheel kijkt.

Diagnose

De orthoptist onderzoekt het gezichtsvermogen van het kind. Afhankelijk van de leeftijd zijn er verschillende ogentesten om aan te tonen welke afwijking er is aan de gezichtsscherpte van de ogen. Met oogdruppels die de pupillen wijder maken, kan de orthoptist de oorzaak van de verminderde gezichtsscherpte onderzoeken. Meet de orthoptist een verschillende gezichtsscherpte van beide ogen? Dan is er sprake van een lui oog. Verder zal de oogarts of optometrist de helderheid van het hoornvlies, de lens en de gezondheid van het netvlies beoordelen.

Oorzaken

Bij het ontstaan van een lui oog speelt erfelijke aanleg een belangrijke rol. Kinderen uit families waarin scheelzien of brilafwijkingen voorkomen, hebben meer kans op een lui oog.

Oorzaken voor het ontstaan van een lui oog zijn:

  • Scheelzien; de ogen staan niet op hetzelfde punt gericht. Om dubbelzien te voorkomen, onderdrukken de hersenen het beeld van één oog.
  • Ongelijke gezichtsscherpte in beide ogen; het beeld dat in één oog wordt gevormd, is onscherper dan in het andere oog. Dit beeld krijgt in de hersenen minder aandacht en wordt verdrongen. Dit is aan de buitenkant niet te zien en moeilijk om op te sporen.
  • Belemmering van lichtdoorval; bijvoorbeeld door vertroebeling van de ooglens (aangeboren staar) of een hangend ooglid (ptosis).
  • Hoge gezichtsscherpte; bij een sterke afwijking van beide ogen door verziendheid of een cilinderafwijking kunnen beide ogen lui worden.

Behandeling

Er zijn verschillende mogelijkheden om een lui oog te behandelen. De behandeling is gericht op het weer actief gebruiken van het luie oog.

  • Afplakken van het goede oog met een pleister. Gedurende een langere periode draagt het kind een deel van de dag een pleister op het goede oog. Dit dwingt het luie oog om beter te kijken.

Het schema voor het dragen van de pleister is per kind verschillend. Als ouders kunt u aan een succesvolle behandeling bijdragen door het kind te stimuleren zich aan het schema te houden. Doel van deze behandeling is om de ontwikkeling van de gezichtsscherpte te stimuleren. De totale behandeling kan meerdere jaren in beslag nemen.

  • Vaak is naast het afplakken ook een bril nodig. Meestal draagt het kind de bril de hele dag. Het kan zijn dat uw kind na het tiende jaar een bril moet blijven dragen.
  • Soms gebruikt men oogdruppels in plaats van pleisters. We druppelen dan in het goede oog zodat het goede oog slechter gaat zien. Dit dwingt het luie oog om te kijken.
  • Folie op het brillenglas. Soms plakt men een folie op het brillenglas bij het goede oog.

Adviezen bij gebruik van de pleister

  • Houd u aan het schema voor het afplakken van het oog.
  • Draagt uw kind een bril bij het afplakken? Zorg er dan voor dat uw kind de pleister onder de bril draagt.
  • Houd uw hand even op de pleister na het afplakken. Door de warmte plakt de pleister beter.
  • Plakt de pleister te sterk? Plak hem dan eerst even op uw eigen huid.
  • Krijgt uw kind een allergische reactie van de pleister? Neem dan contact op met de orthoptist.
  • Stimuleer uw kind om gericht te kijken met het luie oog, zoals lezen, kleuren, tv kijken, computerspelletjes etc.
  • Kijkt uw kind scheel na het afplakken? Wordt het scheelkijken erger? Meld dit dan bij de orthoptist.
  • Door de pleister valt een deel van het gezichtsveld weg. Laat een kind met pleister op daarom niet alleen in het verkeer.
  • Uw kind ziet veel slechter met de pleister op. Meld dit op school en aan anderen die bij uw kind betrokken zijn.

 

Het afplakken van een lui oog met een pleister is een behandeling om de gezichtsscherpte te ontwikkelen door het stimuleren van het luie oog. Het afplakken is niet bedoeld als behandeling tegen scheelkijken of om een afwijking in gezichtsscherpte weg te nemen.

Vragen

Heeft u nog vragen? Stel deze dan gerust aan de orthoptist.

Bij dringende vragen kunt u op werkdagen tussen 08.00 en 17.00 uur contact opnemen met de polikliniek oogheelkunde via telefoonnummer 088 – 70 68 980.

 

05/19

Heeft u vragen?

Heeft u nog vragen? Stel ze gerust via de app BeterDichtbij.
Ontbreekt er informatie in deze folder?