Flesvoeding bij te vroeg geboren baby

Je bent recent bevallen in het Bravis ziekenhuis en je baby is te vroeg geboren. Om deze reden is je baby opgenomen op neonatologie. Je hebt besloten dat je je baby met de fles gaat voeden, of je geeft je baby borstvoeding in combinatie met flesvoeding. In deze folder vindt je meer informatie over flesvoeding bij te vroeg geboren baby's.

Vooraf

We schrijven over “hij/hem/zijn” als we het over de baby hebben. Heb je een dochter gekregen of een meerling lees dan “zij/haar” of “zij/hun”.

Bij een normale ontwikkeling

heeft een baby na de geboorte voedingsreflexen, zoals zuigen en slikken en beschermingsreflexen zoals hoesten en kokhalzen. Deze reflexen zijn nodig om goed en veilig te kunnen drinken uit de borst of uit een fles.

 

De spieren van de tong, de lippen en de kaken moeten sterk genoeg zijn en soepel kunnen bewegen. Je baby moet prikkels in en om de mond goed kunnen verwerken. Een normale ontwikkeling voor het verwerken van voeding is ook afhankelijk van: 

  • Gezondheid 
  • Alertheid/ voedingsbereidheid 
  • Hongergevoel 
  • Houding tijdens het voeden 

 

Ziekte of te vroeg geboren baby’s hebben hun energie hard nodig voor het op temperatuur houden van hun lichaam, het groeien en voor hun ontwikkeling. 

Of het een goed moment is voor je baby om zelf te drinken, moet goed beoordeeld worden zodat je baby een positieve ervaring opdoet met drinken. De verpleegkundige bekijkt samen met jouw of je baby voedingsbereid is en er voldoende energie is voor zelf drinken. Zo niet dan krijgt je baby sondevoeding. 

 

De coördinatie van ademen-zuigen-slikken ontwikkelt zich als je baby ongeveer 34 weken is. 

Je baby moet vanaf 34 weken leren drinken en ademen tegelijk. 

Je baby heeft 3 voedingsreflexen

De zoekreflex: 

Om goed te kunnen zuigen is de tepel-zoekreflex een voorwaarde. 

 

Beoordeel of je baby voedingsbereid is:

  • Bereid je baby voor op de voeding door rustig met de tepel of speen van het oor naar het mondje te strijken om zoekgedrag uit te lokken. 
  • Ook kun je langs de lippen strijken, zo stimuleer je de baby om zijn mond te openen en zelf naar de tepel of speen te happen door het in de mond te nemen. 
  • Geef je baby de gelegenheid om te reageren. 
  • Plaats de tepel/speen alléén in de mond als je baby eraan toe is om te zuigen (mond open en tong laag). 
  • Zorg ervoor dat de tepel in z’n geheel in de mond wordt genomen of dat de speen tot aan het dikke/brede gedeelte in de mond komt. 
  • Opent je baby de mond niet na een paar keer proberen, dan is je baby er nu niet aan toe om zelf te drinken. Je baby is dan niet voedingsbereid en hij krijgt sondevoeding.

 

De zuigreflex: 

Als je baby de speen voldoende in zijn mond heeft genomen, prikkelt dat zijn gehemelte waardoor de zuigreflex optreedt. Zijn onderkaak en tong gaan ritmisch bewegen. Door een samenspel van zijn tong, kaken en lippen ontstaat een vacuüm rondom de speen. Telkens wanneer de onderkaak van je baby naar beneden gaat, stroomt er daardoor melk uit de speen.

 

Het kost je baby veel energie om het zuigritme (het zuigen, slikken en ademen) goed op elkaar af te stemmen. Als je merkt dat je baby buiten adem raaktt, zul je moeten helpen om het ritme aan te passen.

Laat je baby een maximaal aantal keer zuigen en onderbreek de voeding (door de speen te kantelen, dit heet pacen). 

Laat je baby rustig op adem komen; gaat je baby weer over tot zuigen dan kantel de fles weer zodat de speen ½ gevuld is en laat de baby weer verder drinken. 

Herhaal de pauzes na 3 tot 5 zuigritmes. Geef daarna weer een pauze enz. 

Je baby krijgt zo genoeg de gelegenheid te leren van dit ritme om uiteindelijk zelf adempauzes te nemen en een ritme te ontwikkelen. 

De verpleegkundige of logopedist kijkt samen met jou hoe lang de zuigreeksen kunnen zijn, in het begin zijn dit meestal 3 tot 5 zuigritmes. 

 

De slikreflex: 

Als de melk in de mond van je baby stroomt, treedt de slikreflex op. Je baby slikt de melk door en ademt in. Je baby kan ook een aantal keer melk doorslikken en dan pas inademen. 

Belangrijke aandachtpunten tijdens een voedingsmoment 

Het is belangrijk dat je baby goed leert drinken. 

Omgeving 

  • Zorg dat de omgeving waarin je gaat voeden rustig is qua licht en geluid. 
  • Geef voeding met aandacht voor je baby. Hou contact door naar hem te kijken en af en toe te praten tegen je baby 

Houding 

  • Voor het voeden leg je de baby in een speciale houding. Deze houding lijkt op de natuurlijke drinkhouding aan de borst. 
  • Zet jouw voeten op een voetenbankje, zodat je bovenbenen een beetje schuin zijn. 
  • Leg je baby op zijn zijde op je schoot op een kussen of voedingskussen, met zijn billen tegen jouw buik en zijn knieën gebogen. Zorg dat zijn handen bij elkaar zijn, voor zijn borst. 

Controle op voedingsbereidheid 

  • Voordat je de fles gaat geven is het belangrijk om te controleren of je baby “voedingsbereid” is, dus klaar om te drinken. 
  • Biedt de fles horizontaal aan, met een halfvolle speen en nodig je baby uit om de speen aan te happen door het zoekreflex te prikkelen. 
  • Houdt de speen half gevuld met melk en voorkom dat je baby de fles los laat en naar lucht gaat happen. Laat hem ongeveer 3 tot 5 maal zuigen en dan rusten. Laat je baby goed pacen (= tempo aanpassen), doseren. Indien hij niet zelf pauzeert, help dan door de fles naar beneden te bewegen. Hierdoor is er geen voeding meer in de speen en je baby zal pauzeren 

Stresssignalen 

De verpleegkundige, lactatiekundige, pedagogische medewerker of logopedist begeleiden je in het leren herkennen van stresssignalen en hoe je hierop kunt reageren.

 

Voorbeelden van stresssignalen:

  • Afwijkende ademhaling (sneller en oppervlakkiger); 
  • Neusvleugelen;
  • Saturatiewaarde (als je baby aan de monitor ligt); 
  • Verkleuring; 
  • Geluiden als kreunen of rochelen laten horen tijdens drinken;
  • Wegdraaien van het hoofd;
  • Fronsen/ optrekken van de wenkbrauwen; 
  • Gebalde handen of gekromde tenen of spreiden van vingers; 
  • Hoofd naar achteren kantelen; 
  • Wegdrukken van de speen met de tong of de tong hoog houden. 

Duur van de voeding 

Voed je baby niet te lang. Pauzeer als het nodig is.

Stop als je baby niet meer de volle aandacht heeft, gestresst raakt of moe wordt. 

Meestal wordt geadviseerd niet langer dan 20-25 minuten met de voeding bezig te zijn. Voor prematuren die net starten met orale voeding kan 5 minuten al lang genoeg zijn. 

Boeren 

Laat je baby tussendoor goed boeren. Neem hier de tijd voor. Boeren is een vaardigheid die baby’s moeten leren. Houd je baby op je benen rechtop of leg je baby over je schouder. Eventueel kun je zachtjes en langzaam over het ruggetje wrijven. Je kunt beter niet kloppen; dat geeft veel prikkels. 

Flessen en spenen 

Er zijn verschillende soorten flessen/spenen te koop. Vraag de verpleegkundige/logopediste welke fles en/of speen zij adviseert te gebruiken bij jouw baby. Soms kan het nodig zijn dat je baby drinkt met een “low- flow” speen waarbij de speen een kleiner gaat je heeft en de melkstroom beperkt wordt. 

Omdat het aanbod regelmatig verandert, noemen we hier geen merk van flessen. 

Voor vragen en advies 

Voor vragen kun je terecht bij de verpleegkundige van afdeling neonatologie en bij de logopedist. 

 

De verpleegkundige is op afdeling neonatologie te bereiken of via telefoonnummer: 088 - 70 66 630.

Op afdeling neonatologie worden de gespecialiseerde kinderverpleegkundigen ondersteund door logopedisten. Zij geven advies en begeleiding met preverbale (= “voor het spreken”) logopedie.                                                                                                                                        

 

De logopedist is telefonisch te bereiken via het paramedische secretariaat 088 - 70 68 225 / 088 - 70 67 310. 

 

6/21

 

Heeft u vragen?

Heeft u nog vragen? Stel ze gerust via de app BeterDichtbij.
Ontbreekt er informatie in deze folder?