Een hand die niet meer open wil: wat Dupuytren betekent en hoe een operatie kan helpen
Ruim 10 jaar leefde Adriënne Maas met een aandoening die het gebruik van haar handen steeds meer beperkte. Dat ging van lichte stijfheid en kleine knobbeltjes in de hand tot vingers die niet meer strekten. Het begon haar dagelijks leven steeds meer te beïnvloeden. “Op een gegeven moment kon ik een koffiekop nog wel vastpakken”, vertelt ze. “Maar loslaten? Dat ging niet meer. Mijn hand ging gewoon niet meer open.” Daarmee verdween de vanzelfsprekendheid van bewegen. Iets wat pas opvalt als het er niet meer is.
Ziekte van Dupuytren
Adriënne heeft de ziekte van Dupuytren, een aandoening waarbij bindweefsel in de hand verdikt en samentrekt. In de volksmond wordt het ook wel de ‘koetsiersziekte’ genoemd. “Omdat je dan als het ware de teugels vast blijft houden”, legt ze uit. “En je hand dus niet meer recht krijgt.” Adriënne merkte het al jaren. Eerst subtiel. Daarna steeds duidelijker. “Je krijgt van die knobbeltjes en het wordt stram en stijf. Het is geen echte pijn, maar je hand doet gewoon niet meer wat je wilt.”
Voor Adriënne hadden de klachten steeds meer invloed op haar dagelijks leven. Niet alleen thuis, maar ook in haar werk. Ze werkte jarenlang als verpleegkundige. “Die fijne motoriek, schrijven… dat ging steeds slechter. Echt hanenpoten. En toen dacht ik: ik ga geen infusen meer prikken bij mensen als mijn handen niet goed functioneren. Dat is gewoon niet fijn voor ze.” Ook thuis merkte ze het in kleine dingen: potten openen, kracht zetten, simpele handelingen die ineens moeite kosten.
Het moment om in te grijpen
Adriënne wist al langer dat een operatie ooit nodig zou zijn. Maar bij Dupuytren is timing belangrijk: te vroeg ingrijpen heeft vaak weinig meerwaarde. “Ik was een paar jaar geleden al eens bij de specialist en toen was het nog net te vroeg”, vertelt ze. “Je kijkt echt: hoe functioneel is die hand nog?” Tot het niet meer ging en Adriënne écht beperkt werd in haar linkerhand.
Via de huisarts kwam ze opnieuw bij de specialist op het gebied van hand- en polschirurgie in het Bravis ziekenhuis. Een plek die voor haar vertrouwd was, omdat ze er zelf jarenlang werkte en in de regio woont. “Ik ken het ziekenhuis en ik had goede ervaringen met dokter Van Doorn. Dan is de keuze snel gemaakt.” De voorbereiding verliep gestructureerd en duidelijk. “Je gaat naar het preoperatief spreekuur, je krijgt uitleg, een vragenlijst, alles wordt goed doorgenomen en je krijgt goede informatie.”
Vertrouwen in de operatie
Op de ochtend van de opname verliep alles heel vlot. “Ik moest er om half acht zijn en om kwart voor acht werd ik al naar de operatiekamer gereden.” De operatie duurde ongeveer anderhalf uur en vond plaats onder narcose. “Ze zeiden: ‘denk aan iets moois.’ En toen was ik weg. Voor ik het wist, werd ik wakker met een waterijsje in mijn hand. Ik dacht echt: hoe kom ik hieraan? Zelfs daar werd al gelijk weer goed voor je gezorgd.”
Wat Adriënne vooral bijbleef van de operatie, was het vertrouwen. “Het voelde heel vertrouwd. Ik hoefde niet bang te zijn. Je merkt dat het team op elkaar is ingespeeld, dat ze betrokken zijn. Dan geeft het rust."
Stap voor stap herstellen
Na de operatie begon het echte werk: herstellen. “Ik ben nu zes weken verder en het gaat eigenlijk al heel goed”, vertelt ze. In het begin kreeg ze begeleiding van een handspecialist. “Ik ben een paar keer bij een gespecialiseerde fysiotherapeut geweest en kreeg oefeningen mee.” Daarna ging ze zelf verder. “Na twee keer zeiden ze al: je kunt dit prima zelf oppakken.” Ze doet die oefeningen nog elke dag en draagt ’s nachts een spalk om haar hand zo goed mogelijk gestrekt te houden.
Ook het litteken vraagt tijd. “Het ziet er soms heftig uit. Maar dat hoort erbij. Door het oefenen komt er spanning op de wond. Dat kan even schrikken zijn, maar het geneest uiteindelijk mooi.”
De vooruitgang zit in kleine momenten. “Die koffiekop? Die kan ik nu weer vastpakken én loslaten.” Het zijn juist die dagelijkse handelingen die ineens weer vanzelf gaan. “Je merkt pas hoe vaak je je handen gebruikt als het ineens niet meer vanzelf gaat.”
Een vleugje Viking in de familie?
Waar Dupuytren precies vandaan komt, is niet altijd duidelijk. “Het schijnt erfelijk te zijn”, vertelt Adriënne. “Maar in onze familie ben ik de eerste.” Zelf heeft ze er nog een eigen, iets speelsere verklaring voor: “Ze zeggen ook wel dat het bij Vikingen veel voorkwam. Dus misschien is een van mijn voorouders wel een Viking geweest”, zegt ze lachend.
Dupuytren kan terugkomen. Dat weet Adriënne ook. Maar dat houdt haar niet tegen. “Je moet blijven kijken naar wat je hand kan. Zolang die functioneert, ga je door.” En haar advies aan anderen is duidelijk: “Blijf er niet mee rondlopen als je er last van krijgt. De ingreep valt echt mee, en het levert zoveel op.”